Luchtfilterclassificatie
Door voortdurende innovatie ontstaan nieuwe kwaliteitsnormen die ook de classificatie van luchtfilters veranderen. In Nederland, Europa en de rest van de wereld wordt de classificatie van luchtfilters momenteel bepaald volgens ISO 16890:2016. Deze norm heeft de voormalige EN 779:2012 vervangen. Hieronder vindt u meer informatie over de classificatie van luchtfilters volgens de geldende norm.

Voor de groepen ePM1 en ePM2,5 geldt dat het minimale filtratierendement ten minste 50% moet bedragen. De uiteindelijke classificatie wordt echter bepaald op basis van het gemiddelde filtratierendement.
PM staat voor particulate matter, oftewel fijnstof of zwevende deeltjes. Deze internationaal gebruikte aanduiding wordt onder meer toegepast door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) bij communicatie over luchtverontreiniging. Het getal achter PM geeft de maximale deeltjesgrootte in micrometer aan.
PM10 – 10 µm, PM2,5 – 2,5 µm en PM1 – 1 µm.
Het rendement en de klasse van iedere groep worden bepaald door het gemiddelde aandeel afgevangen deeltjes binnen het betreffende deeltjesbereik te meten:
- ePM10: 0,3–10 µm;
- ePM2,5: 0,3–2,5 µm;
- ePM1: 0,3–1 µm.
Testnormen voor deeltjes
De grootte van de geteste deeltjes is een van de belangrijkste verschillen tussen ISO 16890:2016 en de ingetrokken norm EN 779:2012. Volgens de oude norm werd het filtratierendement uitsluitend gemeten met deeltjes van 0,4 µm. In de praktijk komen in onze omgeving echter deeltjes van uiteenlopende afmetingen voor. De classificatie volgens ISO 16890 geeft eindgebruikers daarom een duidelijker beeld van de deeltjes waartegen een filter bescherming biedt.
Een rechtstreekse omzetting van de voormalige EN 779:2012-classificatie naar ISO 16890:2016 is niet mogelijk, omdat de test- en beoordelingsmethoden aanzienlijk van elkaar verschillen. Technische verenigingen en onderzoeksinstituten in verschillende Europese landen hebben eigen vergelijkingsadviezen opgesteld. Deze aanbevelingen zijn niet volledig uniform en kunnen onderling enigszins verschillen. De weergegeven tabel bevat de aanbevelingen van YGLA, gebaseerd op praktijktesten van filters volgens zowel EN 779:2012 als ISO 16890:2016.

De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization) en milieuagentschappen gebruiken de term PM, afkomstig van het Engelse particulate matter, bij de beoordeling en communicatie van luchtverontreiniging.
Fijnstof bestaat uit een mengsel van vaste deeltjes en vloeibare druppeltjes in de lucht. Dit mengsel kan uiteenlopende bestanddelen bevatten, zoals zuren, sulfaten, nitraten, organische verbindingen, metalen, bodemdeeltjes, stof en roet.
Op basis van de deeltjesgrootte, gemeten in micrometer, wordt fijnstof onderverdeeld in drie hoofdgroepen:
- PM10: deeltjes met een grootte van maximaal 10 µm;
- PM2,5: deeltjes met een grootte van maximaal 2,5 µm;
- PM1: deeltjes met een grootte van maximaal 1 µm.
Hoe kleiner de deeltjes, hoe dieper zij in het menselijk lichaam kunnen doordringen en hoe groter het mogelijke gezondheidsrisico. Hieronder worden enkele voorbeelden weergegeven van deeltjesgroottes die veelvuldig in onze omgeving voorkomen:

Gezondheidseffecten van fijnstof
Voor fijnstof bestaat geen volledig veilige concentratiedrempel. Negatieve gezondheidseffecten kunnen daarom ook bij relatief lage concentraties optreden. Veel fijnstofdeeltjes zijn niet zichtbaar met het blote oog, waardoor het moeilijk is om hun mogelijke invloed op de gezondheid in te schatten. Deeltjes uit de PM10-groep en kleinere deeltjes kunnen de luchtwegen binnendringen. PM2,5-deeltjes en kleinere deeltjes kunnen diep in de longen terechtkomen, de longfunctie beïnvloeden en bijdragen aan klachten aan de huid en ogen. PM1-deeltjes en kleinere deeltjes behoren tot de meest risicovolle categorie, omdat zij via de longen in de bloedbaan kunnen terechtkomen en in verband worden gebracht met onder meer hart- en vaatziekten, kanker en aandoeningen van de hersenen en het zenuwstelsel.